.RU

Biblia dat is de gantsche heilige schrifture - старонка 15


gekomen;

6 Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broeders in het beste van

het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo gij weet, dat er onder

hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over hetgeen ik heb.

7 En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht;

en Jakob zegende Farao.

8 En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!

9 En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn

honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens

geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen,

in de dagen hunner vreemdelingschappen.

10 En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht.

11 En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een

bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Rameses, gelijk

als Farao geboden had.

12 En Jozef onderhield zijn vader, en zijn broeders, en het ganse huis zijns

vaders, met brood, tot den mond der kinderkens toe.

13 En er was geen brood in het ganse land; want de honger was zeer zwaar: zodat

het land van Egypte en het land Kanaan raasden vanwege dien honger.

14 Toen verzamelde Jozef al het geld, dat in Egypteland en in het land Kanaan

gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in

Farao's huis.

15 Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaan verdaan was, kwamen al

de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid sterven? want het geld ontbreekt;

16 En Jozef zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het

geld ontbreekt.

17 Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en

voor het vee der schapen, en voor het vee der runderen, en voor ezels; en hij

voedde hen met brood, datzelve jaar, voor al hun vee.

18 Toen datzelve jaar voleind was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en

zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, alzo het geld

verdaan is, en de bezitting der beesten [gekomen] aan mijn heer, zo is er niets

anders overgebleven voor het aangezichts mijns heren, dan ons lichaam en ons

land.

19 Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons

land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad,

opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!

20 Alzo kocht Jozef het gehele land van Egypte voor Farao; want de Egyptenaars

verkochten ieder zijn akker, dewijl de honger sterk over hen geworden was; zo

werd het land Farao's eigen.

21 En aangaande het volk, dat zette hij over in de steden, van het ene uiterste

der palen van Egypte, tot aan het andere uiterste deszelven.

22 Alleen het land der priesteren kocht hij niet, want de priesters hadden een

bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk hun Farao

gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.

23 Toen zeide Jozef tot het volk: Ziet, ik heb heden u en uw land gekocht voor

Farao; ziet, daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait.

24 Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Farao het vijfde deel

zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uw

spijze en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.

25 En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen

mijns heren, en wij zullen Farao's knechten zijn.

26 Jozef stelde ditzelve in tot een wet, tot dezen dag, over het land van

Egypte, dat Farao het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der

priesteren van Farao niet werd.

27 Zo woonde Israel in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden

zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.

28 En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van

Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren.

29 Als nu de dagen van Israel naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn

zoon Jozef, en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo

leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en

begraaf mij toch niet in Egypte;

30 Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en

mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord!

31 En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israel boog zich ten hoofde van

het bed.

Genesis 48

1 Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank. Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraim.

2 En men boodschapte Jakob, en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u. Zo

versterkte zich Israel, en zat op het bed.

3 Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in

het land Kanaan, en Hij heeft mij gezegend;

4 En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na

u dit land tot een eeuwige bezitting geven.

5 Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot

u gekomen ben, zijn mijne; Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en

Simeon.

6 Maar uw geslacht, dat gij na hun zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen

naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.

7 Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaan,

op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en

ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.

8 En Israel zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze?

9 En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven

heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene.

10 Doch de ogen van Israel waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij

deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.

11 En Israel zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar

zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien.

12 Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieen; en hij boog zich voor zijn

aangezicht neder ter aarde.

13 En Jozef nam die beiden, Efraim met zijn rechterhand, tegenover Israels

linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israels rechterhand, en

hij deed hen naderen tot hem.

14 Maar Israel strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van

Efraim, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse;

hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.

15 En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders,

Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik

was, tot op dezen dag;

16 Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat

in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands.

17 Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraim

legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om

die van het hoofd van Efraim op het hoofd van Manasse af te brengen.

18 En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de

eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.

19 Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon; ik weet het;

hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal

zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte

van volkeren worden.

20 Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israel zegenen,

zeggende: God zette u als Efraim en als Manasse! En hij zette Efraim voor

Manasse.

21 Daarna zeide Israel tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen,

en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.

22 En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn

zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb.

Genesis 49

1 Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.

2 Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob en hoort naar Israel, uw vader.

3 Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de

voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte.

4 Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn; want

gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij [het] geschonden; hij heeft

mijn bed beklommen.

5 Simeon en Levi zijn gebroeders; hun handelingen zijn werktuigen van geweld.

6 Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met

hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun

moedwil hebben zij de ossen weggerukt.

7 Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is

hard; ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israel.

8 Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek

uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.

9 Juda is een leeuwenwelp; gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon. Hij

kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal

hem doen opstaan?

10 De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.

11 Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan

den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in

wijndruivenbloed.

12 Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.

13 Zebulon zal aan de haven der zeeen wonen, en hij zal aan de haven der schepen

wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.

14 Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.

15 Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo

boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns.

16 Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israels.

17 Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende

des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle.

18 Op uw zaligheid wacht ik, HEERE.

19 Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal [haar] aanvallen in

het einde.

20 Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.

21 Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.

22 Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der

takken loopt over den muur.

23 De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem

gehaat;

24 Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn

gesterkt geworden, door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een

herder, een steen Israels;

25 Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal

zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die

daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder.

26 De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot

aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef,

en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen.

27 Benjamin zal [als] een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten, en

des avonds zal hij buit uitdelen.

28 Al deze stammen van Israel zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen

sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen

zegen.

29 Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk:

begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den

Hethiet;

30 In de spelonk, welke is op den akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in

het land Kanaan, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den

Hethiet, tot een erfbegrafenis.

31 Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij

Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven.

32 De akker, en de spelonk, die daarin is, is gekocht van de zonen Heths.

33 Als Jakob voleind had aan zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn

voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijn

volken.

Genesis 50

1 Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem.

2 En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader

balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israel.

3 En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen

dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.

4 Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van

Farao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor

de oren van Farao, zeggende:

5 Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat

ik mij in het land Kanaan gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat

mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen.

6 En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen

zweren.

7 En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's

knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte;

8 Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders;

alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het

land Gosen.

9 En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.

10 Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van de

Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte

zijn vader een rouw van zeven dagen.

11 Als de inwoners des lands, de Kanaanieten, dien rouw zagen op het plein van
2010-07-19 18:44 Читать похожую статью
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • Контрольная работа
  • © Помощь студентам
    Образовательные документы для студентов.